Henk&Jeannette naar Suriname.reismee.nl

Back home

under construction!
Wink

Donderdag 26 januari 2012 - de afsluiting

Vandaag voor het laatst naar de Anton Resida School. De leerlingen zijn een kwartiertje eerder opgestaan, want zij hebben gisteravond nog een afscheidsdans ingestudeerd en dat willen ze vanochtend bij het ontbijt nog een keer oefenen.

Vandaag moeten er knopen worden doorgehakt. Er moeten bindende afspraken gemaakt worden over de functieverdeling binnen de webshop. De beide docenten van het Corlaer geven nog even een snelle verhandeling over het takenpakket binnen de webwinkel. Maar al snel blijkt dat de webwinkel waarschijnlijk alleen in Nederland zal aanslaan en niet in Suriname. Niet alleen is kopen via internet in Suriname een vrij onbekend verschijnsel (niet veel mensen in Suriname hebben trouwens thuis een computer, laat staan internet), maar zijn ook betalingen anders dan contant een onbekend begrip. Pinnen kan slechts in een zeer beperkt aantal winkels en online betalen doet men al helemaal niet. Ook met de creditcard kun je in Suriname niet uit de voeten. Daarom wordt besloten voor Suriname alternatieve afzetkanalen, zoals marktkramen of stands in bestaande winkels te ontwikkelen. Besloten wordt de organisatie op te splitsen in twee delen: een Surinaams deel en een Nederlands, beide onder leiding van een directeur (= de schooldirecteur), bijgestaan door een (leerling-)directeur/supervisor. Daaronder komen de afdelingen inkoop, verkoop, voorraadbeheer en financiële administratie. Elke afdeling krijgt drie à vier personeelsleden, waarvan er één wordt aangewezen op de contacten naar de overige afdelingen te onderhouden. Voor het Nederlandse deel geldt een dubbelstructuur: een keer ingevuld door leerlingen van het Corlaer College en een keer door leerlingen van Hilfertsheem-Beatrix. Hoe dit in de praktijk moet gaat uitpakken zal nog een punt van discussie moeten zijn, later in Nederland. Met deze functieverdeling komt er een einde aan deze serie Surinaamse contactbijeenkomsten. Hierna zal de ontwikkeling verder thuis worden voortgezet in schriftelijk, telefonisch en digitaal contact met de zusterorganisatie.

Na de pauze begon de afscheidsceremonie. Hiervoor had de Anton Resida School een grote partytent en een geluidsinstallatie geregeld. Onze leerlingen mochten als eerste hun dans-act opvoeren, waana de Surinaamse leerlingen een afscheidsact in traditionele klederdracht opvoerde. Tot slot zou de directeur nog een skypecontact hebben met Bob Hofman die elders in een trainingscentrum zat. Dit zou dan via de beamer te volgen moeten zijn. Maar hier liet de techniek ons in de steek. Door een mankement in de lange netwerkkabel was het niet mogelijk een verbinding op te bouwen. Helaas. Maar de leerlingen bleken dat helemaal niet erg tevinden. Zij hadden meer belangstelling voor het hierna volgende dansfestijn op merengue- en salsamuziek. Tot slot werd door het docentenkorps onderling nog persoonlijk afscheid genomen.

De avond hebben we afgesloten een diner in het roti-restaurant pal naast fort Zeelandia.

Zoals gebruikelijk in Suriname was het eten heerlijk, maar, en dat was mij ook al bij eerdere gelegenheden opgevallen, het vlees bevat onnoemelijk veel botjes en botstukjes. Net alsof ze de kip met een hakbijl in stukken hakken. Filet, dat ik steeds meer ga waarderen, schijnt hier een volstrekt onbekend begrip te zijn. Aan de vulgraad van de borden van de anderen te zien toen wij weggingen, waren zij dat kennelijk roerend met mij eens. We wandelden terug naar het hotel.

Woensdag 25 januari 2012 - de evaluatie

Het gebruikelijke schema: 5 uur op, 6 uur eten, 10 over half zeven in de bus, 10 over half acht op school.

Vandaag gaan we aan de hand van de 6 P´s van de marketingmix (personeel-product-proces-plaats-prijs-promotie) de webwinkel vullen. Hilfertsheem-Beatrix heeft ter beoordeling een aantal mogelijke artikelen meegegeven. Die worden als eerste bekeken. De zelfgemaakte portemonneetjes uit gebruikte vruchtensappakken worden unaniem als leuk en geschikt beoordeeld, alhoewel niet helemaal origineel. Ook de gepimpte hoesjes voor de mobiele telefoon kunnen de goedkeuring wegdragen en dat geldt ook voor de rompertjes. De placemats waren ook wel aardig, alleen moet daar nog wel iets aan de kwaliteit van de afbeeldingen gebeuren. Ook moet uitgezocht worden of er geen sprake is van inbreuk op het beeldrecht bij bijv. de tegelmotieven. De rugtas, die trouwens ook door het Corlaer College werd ingebracht, vond men prima, maar daar worden bedenkingen over de prijs geuit. Dat laatste moet trouwens bij de gehele Nederlandse inbreng in de gaten gehouden worden. Wat voor ons goedkoop is, kan voor de gemiddelde Surinamer toch te duur uitvallen. Van Surinaamse zijde worden de aardewerk-artikelen van de pottenbakker en de sieraden van de handelaar voorgesteld. Het Corlaer College is nog druk op zoek naar gepaste artikelen.

Vervolgens worden de afdelingen benoemd: Directie, Inkoop, Verkoop, Voorraadbeheer en Financiële Administratie. Voor deze afdelingen worden dan de takenpakketten bepaald.

Na de pauze heeft de Anton Resida School een wedstrijd georganiseerd over welke klas voor de leerlingwerving de beste schoolslogan/-yell kan bedenken. Onze leerlingen worden aan enkele klassen toegevoegd. Elke klas moet zijn slogan op een spandoek schilderen en de beste wordt beloond met een bedrag van 50 Srd (Surinaamse dollar) , toe te voegen aan het klassenbudget en te besteden tijdens het jaarlijkse schooluitje. De winnaar wordt bepaald door de directeur en onderdirecteur. Er blijken aardig wat creatievelingen te schuilen onder de schoolbevolking, maar uiteindelijk wint een derde klas met de slogan: “Be hot, be cool, don’t be a fool, go always to Anton Resida School”. Waarmee deze schooldag wordt afgesloten.

’s Middags brengen we een bezoek aan Frederiksdorp, een oude plantage waar koffie en cacao verbouwd werd. We rijden met de bus rechtstreeks van school naar Leonsberg, ten noordoosten van Paramaribo aan de Surinamerivier, waar een aanlegsteiger is voor de boten van Frederiksdorp. Tot mijn verrassing blijkt mevrouw Mildred Caprino, onze gids van zondag, ook nu aan boord te zijn. Nou, maak je borst maar nat, dat worden weer kleurrijke verhalen. En ja hoor, het begon al op de boot. Op het punt waar de Commewijnerivier in de Surinamerivier uitmondt, ligt Fort Nieuw Amsterdam, dat samen met het er tegenover, aan de Commewijne liggende fort Leiden en het meer naar de monding van de Surinamerivier liggende fort Nieuw-Purmerend, de kern vormt van de Nederlandse verdediging van de plantages tegen de buitenlandse (lees Engelse en Franse) invallen in de slaventijd. Mevrouw Caprino had weer boeiende verhalen over de plantages en over de daar werkende slaven (slaafgemaakten noemt zij ze). Fort Zeelandia, het van oorsprong Engelse fort in Paramaribo, was oorspronkelijk het enige fort in Suriname en dat werd door de plantage-eigenaren voldoende geacht voor de verdediging. Want zij moesten uiteindelijk de kosten van de verdediging van hun kostbare bezit zelf ophoesten (en ons bin zunig). Na invallen van de Fransen, eind achttiende eeuw, waarbij alles wat los en vast zat, geroofd werd en de rest vervolgens platgebrand, dacht men er toch wel iets anders over, mosterd na de maaltijd dus. Daarom werden er toch maar forten gebouwd. Die hielpen wel tegen de Engelsen en de Fransen, maar bepaald niet tegen de rooftochten van de bosnegers (Marrons - naar het bos gevluchte slaven), die voor hun voortbestaan, voedsel en vrouwen nodig hadden. Die aanvallen bleven, ondanks de forten, onverminderd doorgaan, totdat men in de loop van de negentiende eeuw, tegen aanzienlijke betalingen uiteraard, vrede met ze sloot. Mevrouw Caprino wist ons weer met de nodige schuldgevoelens op te zadelen, maar toen bleek, dat haar geografisch inzicht toch niet al te groot was. Toen wij voorbij Fort Amsterdam de Commewijne opvoeren, hield ze bij hoog en bij laag vol dat wij nu stroomafwaarts voeren en als wij Frederiksdorp voorbij zouden varen, wij uiteindelijk via via in de Atlantische Oceaan zouden uitkomen. Van dat idee was ze, tot onze grote hilariteit, met geen stok vanaf te brengen.

Na een half uur varen kwamen we aan de aanlegsteiger van Frederiksdorp. Frederiksdorp is niet meer in bedrijf als plantage. Het is inmiddels met steun van het Nederlands Cultuurfonds gerestaureerd. Er is nu, om het rendabel te maken, een klein, maar exclusief hotel gevestigd. Tevens worden er dagtochten naar toe geregeld en wordt een deel van de grondgebied verhuurd als jacht- en visgebied. In het oorspronkelijke plantagegebouw (de directeurswoning) is nu een appartement gevestigd, geschikt voor groepen tot 10 personen. De huidige eigenaar, dhr. Hagemeier, is van Nederlandse afkomst en woont in de voormalige dokterswoning, onderdeel van een complex van 7 ambtenarenwoningen, naast het plantagegebouw. De overige 6 woningen zijn verbouwd tot appartement.

Toen we aankwamen kregen wij, bij wijze van lunch, een kom saotosoep voorgezet, een heel voedzame soep met rijst en groenten en een heel ei erin. Dit werd vroeger de slaven voorgezet als spotgoedkoop krachtvoer, aldus mevr. Caprino. De soep was weer overheerlijk.

Daarna kregen we een rondleiding over de plantage door mevr. Caprino. De grote hoeveelheden beeldende verhalen zal ik jullie besparen, maar niet onvermeld mag blijven dat ze tijdens de rondleiding enige slavenliedjes ten gehore bracht en dat bepaald niet onverdienstelijk. Bob Hofman, onze projectleider, werd bij wijze van voorbeeld, door haar tot plantagedirecteur bevorderd en hij liet op voortreffelijke wijze zien, hoe een plantagebezitter vanaf zijn balkon uitkijkt over zijn bezittingen.

Na de rondleiding voeren we terug naar Paramaribo. ’s Avonds zijn we met de hele groep gaan eten bij “Zus en Zo” We kregen een Caraïbische maaltijd voorgezet met veel vis, rijst en kip. De ober had al gezegd dat er hier en daar een graat in de vis zat, maar lieve hemel, die vis zat vol met graten. Bij elke kleine hap zaten zeker 10 graten of graatstukken. Maar wat was die vis lekker! En dan neem je die graten maar op de koop toe.

Dinsdag 24 januari 2012 - de handelaren

Weer om 5 uur opstaan, om 6 uur eten, om 10 over half zeven in de bus, richting Anton Resida School.

Drie leerlingen van het Corlaer College mochten dit keer de Surinaamse vlag hijsen. Het ging ze nog goed af ook. Vandaag stond in het kader van de de 6 P’s een bezoek aan een lokale pottenbakker en een gesprek met een jonge handelsondernemer op de Anton Resida School op het programma.

Alle leerlingen (Nederlandse en Surinaamse) gingen op bezoek bij een pottenbakkerij, die eigendom was van de Hindoestaanse ondernemer Soerdjan Parodi. Na een rondleiding kregen ze gelegenheid tot het stellen van vragen. De pottenbakkerij, die nog werkt met het oorspronkelijke concept van veel handwerk en weinig mechanisatie, ondervindt veel concurrentie van de veel goedkopere Chinese en Indische import. Het bedrijf werkt dan ook voornamelijk nog voor feestdagen (Divali – aardewerk schoteltjes voor kaarsjes), toerisme en speciale gelegenheden (zoals bedankcadeautjes voor bruiloftsgasten). De benodigde klei komt uit groeven in diverse districten in Suriname. De kwaliteit hiervan wordt met het oog en op gevoel beoordeeld. Voor laboratoriumonderzoek is geen geld. Er zou wel een eigen onderzoeksbureau gestart kunnen worden, ook voor andere pottenbakkerijen, de benodigde kennis en knowhow hiervoor is aanwezig, maar daarvoor krijgt het bedrijf geen toestemming van de rijksoverheid.

Het mengen en het controleren van de klei op ongerechtigheden, zoals steentjes en plantenwortels, gebeurt met de hand en is het meest arbeidsintensieve en tijdrovende deel van het productieproces. Elk stukje klei wordt uit elkaar gehaald en nageplozen. Een achtergebleven haarwortel verbrandt tijdens het bakproces en maakt het aardewerk poreus. Ook dit deel van het productieproces zou gemechaniseerd kunnen worden. Daarvoor zou een drooginstallatie en een kraakinstallatie aangeschaft moeten worden. Maar daar is geen geld voor. De consistentie van de klei wordt beïnvloed door al dan niet toevoegen van zand. Ook dit gebeurt op gevoel. Als de consistentie niet goed is, barst het aardewerk tijdens het bakproces.

Het vormen gebeurt met de hand op een ……… Een geoefend werker kan twee tot vier uur per dag en ongeveer twee weken achter elkaar dit werk doen. Daarna moet hij een maand rust nemen, om zijn handen gelegenheid te geven zich te herstellen. Nagels zijn afgesleten en de huid van de vingers is dermate aangetast dat verder werken niet mogelijk is. Handschoenen dragen is geen optie, omdat hij dan geen gevoel in zijn vingers heeft. D e vrouw van de pottenbakker, die in het bedrijf meewerkt, kan voor het Hindoe-feest 400 olieschaaltjes per uur vormen. Dat is uitzonderlijk veel en daarom kan zij volstaan met twee uur per dag in het bedrijf en besteed de rest van de tijd aan het huishouden. Na het vormen worden de producten een tijd lang te drogen gezet. Enerzijds scheelt het brandstof en anderzijds wordt het risico op barsten hierdoor verkleind.

Tot slot worden de producten gebakken in een houtgestookte oven op een temperatuur van 900 tot 1100 oC. De oven is van eigen makelij en is opgetrokken uit gewone baksteen. Deze temperatuur wordt bereikt door een gewone ventilator voor de vuurmond te plaatsen.

Na afkoelen worden de producten, indien gewenst, nabewerkt (met de hand beschilderd of ondergedompeld).

Tijdens het vragenuurtje bleek dat de pottenbakkerij niet meer het hoofdinkomen vormde van de familie. De pottenbakker blijkt ook een begenadigd poëet te zijn, die meerdere prijzen in de wacht gesleept heeft en ook internationaal in aanzien staat met werken die veelal het Surinaamse nationalisme tot onderwerp hebben. Daarnaast is hij tekstschrijver van (vooral Surinaamse) liederen en voordrachtkunstenaar. Tevens wordt hij veel gevraagd voor lezingen en workshops over pottenbakken. In het bedrijf werken verder nog ad-hoc mee zijn zoon (rechten), dochter (biologe, grondonderzoekster en lerares) en schoonzoon (laborant).

Na terugkomst op school stond de handelaar, Erico van der Bok, al op ons te wachten. Hij heeft samen met zijn familie een bedrijf in sieraden, die gemaakt zijn van pitten en boomvruchten: kokriki. Het bedrijf – Ajenekare - is in 2007 opgericht en zowaar ingeschreven bij de Surinaamse Kamer van Koophandel. De sieraden worden in het bedrijf zelf gemaakt en via moderne social media (Facebook, Twitter) aan de man gebracht. Zijn afzetgebied is in vijf jaar uitgegroeid van Suriname tot Zuid Amerika en het Caraïbisch gebied. De bessen en pitten worden geboord en vervolgens geregen. Een sieraad gaat bij zorgvuldig gebruik zeker zes jaar mee. Hij werkt heel veel op bestelling en de klant kan ook een eigen ontwerp aanreiken. Erico kon goed vertellen maar was toch erg zenuwachtig. Hij ging steeds zachter praten, waardoor hij jammer genoeg moeilijk te volgen was.

Tijdens deze sessie kwam een filmploeg van het Surinaamse Jeugdjournaal opdraven. Zo’n gratis stukje reclame voor het nieuwe bedrijf is natuurlijk nooit weg en na de aanvankelijke schuchterheid en drempelvrees gaven de leerlingen een interview weg, alsof ze nooit anders gedaan hadden. We hebben dat ’s avonds op de televisie terug kunnen kijken. Na de school reden de we weer terug nar het centrum van Paramaribo, waar we op een terrasje de plannen voor de middag bespraken. Tijdens deze discussie kwam een tweede TV-ploeg op ons af, nu van het echte journaal. Onze leerlingen draaiden hun hand er niet meer voor om en gaven een interview af dat stond als een huis. Helaas is dat ‘s avonds tijdens het half-acht journaal niet aan bod gekomen. Of het überhaupt nog is uitgezonden weten we niet. De meningen over de invulling van die middag waren nogal verdeeld, zodat we de groep hebben opgesplitst: een deel ging naar hotel Torarica (een zusterbedrijf van ons eigen hotel) om te gaan zwemmen. De rest ging terug naar het eigen hotel.

Maandag 23 januari 2012 - de eerste schooldag!

Onze eerste werkdag. Om kwart over vijf loopt de wekker af. Opstaan, douchen, aankleden. Om zes uur naar de ontbijthal. De meesten zijn al aanwezig. Weer zo’n overheerlijk tropisch ontbijt naar binnen gewerkt, met tot slot drie koppen koffie om wakker te worden. Om hals zeven vertrekt de bus. Tenminste, dat is de bedoeling. Een drietal leerlingen denkt daar kennelijk anders over. Ze zijn niet uit bed te branden en daardoor vertrekken we ruim een kwartier te laat. Hierdoor komen we in de ochtendfile terecht. Jawel, file in Paramaribo. Die we nog gehoopt hadden te kunnen ontlopen. Naar verluidt, een dagelijks terugkerend fenomeen in Paramaribo. Iedereen komt op vrijwel dezelfde tijd in het centrum aan en in een mum van tijd slippen daar de wegen dicht. Ik krijg bewondering voor de rijvaardigheid van onze buschauffeur, hier in Suriname chef genoemd, want hij ziet kans elk gaatje en kiertje te benutten om doorheen te slippen. Het gaat af en toe nog maar net goed. Maar het is duidelijk, dat ook het wegennet in Paramaribo niet berekend is op het moderne woon-werkverkeer. De chauffeur vertelt vol trots, dat er vorig jaar maar 84 doden zijn gevallen in het verkeer. 84 op een bevolking van een half miljoen! In Nederland zijn dat er, geloof ik, zo’n 150 op een bevolking van 17 miljoen.

Tijdens de rit krijgen de drie dissidenten in het openbaar een stevige uitbrander van de collega’s van het Corlaer College. Heel timide beloven ze beterschap.

De school ligt net buiten Paramaribo in Wanica. Dankzij de voortreffelijke rijeigenschappen van onze chauffeur, verloopt de rit van ongeveer 15 km verder “voorspoedig” en zijn we ondanks de vertraging keurig op tijd voor de vlaggenceremonie. In Suriname begint elke schoolweek met het hijsen van de vlag op het schoolplein en het zingen van het volkslied. Daarbij is de hele school verzameld rondom de vlaggenmast. Hiertoe begint op maandag de school dan ook 10 minuten eerder, om half acht, en ook wij worden geacht daarbij aanwezig te zijn. De overige dagen van de week kan volstaan worden met het hijsen van de vlag door drie leerlingen, waarbij de rest van de school niet aanwezig hoeft te zijn.

Na de ceremonie wordt er kennis gemaakt met de 13 leerlingen van de Anton Resida school. Dat gebeurt door middel van de bekende spelletjes op het schoolplein. Ook met docenten en staf wordt kennisgemaakt.

Dan krijgen we in de bibliotheek (een leegstaand klaslokaal met een behoorlijke verzameling Nederlands- en Engelstalige boeken) een hernieuwde kennismaking en worden de 26 leerlingen ingedeeld in 4 groepen, die elk na de pauze in het kader van het ondernemingsplan tenminste 20 vragen moeten bedenken voor de twee ondernemers die voor dinsdag zijn uitgenodigd. Dat gaat in het begin nog helemaal niet zo soepel: ze zitten elkaar enigszins schaapachtig aan te kijken, maar niemand durft het voortouw te nemen. Na wat aandrang van de docenten begint er toch langzamerhand wat op gang te komen en lukt het ze waarachtig wat vragen op papier te krijgen. Na een uur wordt er dan een evaluatieronde gedaan, waarmee deze eerste dag tot een einde komt.

In Suriname eindigt namelijk de schooldag om kwart voor één, net voor de grote hitte van de middag.

Na de school zijn we teruggereden naar Paramaribo en in het centrum uitgestapt. We zijn gaan lunchen in eetcafe “Zus en Zo”, gelegen achter de Palmentuin. De leerlingen zagen daar nog een grote leguaan, van wel zeker 80 cm lengte, in een boom zitten.

Na de lunch zijn we door het Palmenbos terug gelopen naar het hotel. De rest van de middag was vrij invulbaar. De dag werd afgesloten met een diner in het Indonesisch restaurant Jawa.

Zondag, 22 januari 2012 - Paramaribo verkennen

We beginnen met een rustdag. We worden geacht om 09.00 in de ontbijthal (een dak op pilaren zonder muren in de achtertuin van het hotel – weer zo’n tropische vinding die, als het in Nederland mogelijk zou zijn, navolging zou verdienen) te zijn voor instructie. Gewend als we zijn aan Nederlandse tijden, zijn we ruimschoots op tijd. We zijn toch al weer om half zeven (half elf Nederlandse tijd) wakker geworden (ondanks of dankzij het late tijdstip van naar bed gaan) en hebben ruimschoots gelegenheid gehad om te ontbijten. We krijgen een uitgebreid programma voor deze week en nadere instructies over het hoe en wat.

Door de constante regendreiging is de stadswandeling afgelast en vervangen door een rondrit door de stad per bus. De gids, Mildred Caprino, is een rasechte Surinaamse van Creoolse afkomst, met een uitgebreide kennis van de geschiedenis en de cultuur van Suriname. En daar maakt ze ons met graagte deelgenoot van. Ze kan overigens kleurrijk, enthousiast en onderhoudend vertellen. Zo heeft ze het uitgebreid over de slaventijd en hoe de slaven behandeld werden door de Nederlanders (geradbraakt, gevierendeeld, aan vleeshaken opgehangen, en wat dies meer zij). Bij elk historisch gebouw in het centrum van Paramaribo en dat zijn er nogal wat, heeft ze een verhaal. Na afloop van de ruim twee uur durende tocht voel je je als Nederlander toch wel enigszins beschaamd.

Paramaribo is een stad, vrijwel geheel opgetrokken uit hout. Bakstenen waren in vroeger tijden een zeldzaam verschijnsel in Suriname en hout is goedkoop en in overvloed aanwezig. Maar er zitten ook nadelen aan. Zo is de stad een aantal malen door brand vrijwel volledig verwoest.

De historische binnenstad staat als eerste Zuid-Amerikaans beschermd stadsgezicht op de werelderfgoed lijst van de Unesco. We zien het gouverneursgebouw met daarachter het Palmenbos, het gebouw van de WIC, dat van de stadsraad, Fort Zeelandia, maar ook het monument van de Suriprofs, de grootste houten kathedraal van Zuid-Amerika, kerken, hindoetempels en moskeeën. Zelfs bijzondere bomen ontsnappen niet aan de vertelkunst van onze gids. Mildred vertelt verder vol trots over de door Suriname zelf bekostigde eerste brug over de Surinamerivier. Wat minder enthousiast is ze over het aandeel van Nederland daarin. De brug is ontworpen en gebouwd door Ballast-Nedam, maar is volgens haar veel te duur betaald. Ook vertelt ze vol trots over de door de Surinamers zelf aangelegde rotondes. Dat zijn er inmiddels al aardig wat. De eerste werd nog met behulp van de Nederlanders aangelegd, maar de volgende deden de Surinamers volledig zelf.

Waar ze niet over vertelt, dat is de toenemende en in het oog vallende verwaarlozing en verkrotting van de stad. Zo kun je door de hele stad heen monumenten zien staan, met pal daarnaast een op instorten staand - bewoond – woonhuis, of een al jaren geleden door brand verwoest gebouw, dat gewoon niet wordt opgeruimd.

De rest van de middag kunnen we naar eigen inzicht invullen. Lunchen doen we in “Het Vat”, een gerenommeerd etablissement in de stad. Een broodje Pom gaat er best in. Na afloop lopen we richting Fort Zeelandia, waar we helaas net te laat aankomen om nog naar binnen te mogen.

’s Avonds eten we bij het Chinees restaurant Chi Min, een voortreffelijke keuze. Alleen zag ik de gesneden pepers voort paprika aan en dat heb ik geweten. Heb een half uur staan blussen.

De rest van de avond hebben we besteed aan de administratie en uitpakken van de koffers. Om 10 uur uitgeblust naar bed.

Zaterdag 21 januari 2012 - We vertrekken...

De dag dat we naar Suriname gaan, begint relaxt: wekker op tijd gezet. Genoeg tijd om alles bij elkaar te rapen en het huis netjes achter te laten. De keuze uit de busvertrektijden is 2 minuten vóór en 2 minuten na 8 uur; we kiezen voor de eerste optie die via de bus naar Hilversum ons met de trein naar Schiphol zal brengen. Het eerste misverstand dient zich aan: ik ben gewend tijden uit te printen met vertrektijden vanaf huis. Als het kwart voor 8 is, wordt het dus toch nog stressen, omdat met een zware koffer sjouwen toch vertragend werkt. Henk rommelt nog wat binnen, ik sta buiten te wachten. Als Henk uiteindelijk de deur achter zich terugtrekt en de zwaarste koffer meetilt over de gladde brug klinkt er opeens een plof: Henk glijdt uit en valt: het valt mee, maar je kunt niet met vieze handen in Suriname aankomen, dus die moeten eerst gewassen worden. De minuten tikken intussen door. We hebben koffers met wieltjes, maar een goede verstandhouding met de buren is belangrijk. We tillen de koffers op en beginnen te lopen. Na anderhalve straat ligt onze arm er half uit, dus toch maar op wieltjes rijden. Daarna weet dus half Huizen dat we op weg naar Suriname zijn: een enorm gedender van onze met zomerkleding gevulde koffers vult de straten op deze kille en regenachtige zaterdagochtend in januari. We horen de klok 8 uur slaan. Als de bushalte nog maar een paar stappen lopen is, rijdt de bus van 2 minuten over 8 voorbij. Ik loop terug en we besluiten het vakantiegevoel naar ons toe te trekken: we vertrekken per auto richting Schiphol.

Op Schiphol lijkt alles volgens procedures te verlopen, tot we bij het onderwerp visum aankomen. Deze is op de valreep door Suriname vervangen door een toeristenkaart die op de dag van vertrek gehaald kan worden, althans, dat is ons verteld. Navraag leert echter dat het zaterdag is en er geen toeristenkaarten worden verstrekt. ‘Er schijnt een grote groep leerlingen ook in de problemen te zitten’. Dat voorspelt weinig goeds. Bob, de organisator van de reis, zit nog in een file. Verdere navraag leert dat het probleem niet bij de zaterdag, maar bij ons reisdoel gezocht moet worden. Bob zal uitkomst brengen. Intussen slaat bij mij ook de twijfel toe: op College De Brink heb ik als reden van afwezigheid naar kinderen ‘een zakenreis’ genoemd: we gaan een webwinkel starten. Maar mijn collega’s daar hebben het steeds over ‘een leuke vakantie vieren’ als ik afscheid neem. Mij wordt zelfs dringend geadviseerd de laptop thuis te laten en te gaan genieten van een welverdiende rust samen met mijn hardwerkende man. Op Hilfertsheem worstelt men het meeste met deze reis: eerst wordt er zorg over uitgesproken hoe deze reis naar andere collega’s toe ‘verkocht’ moet worden en in de personeelsinfo wordt gecommuniceerd dat we ‘heel hard gaan werken’. Eerst las ik het zelfs verkeerd en dacht ‘na heel hard werken’ te lezen, maar dat blijkt een misverstand. Uiteindelijk weet Bob er toch een draai aan ons reisdoel te geven en krijgen we allemaal een ‘go’. Voor mij is het reisdoel duidelijk: contacten leggen met collega’s en scholen. De voorbereiding is bijzonder intensief geweest samen met Lily en met Lucelle als initiator van dit project op Hilfertsheem. Marleen, een onderzoekster van Oberon, zal in kaart brengen wat deze reis met de leerlingen doet. Dit zal verantwoord worden naar Kennisnet, de subsidieverstrekker.

Intussen worden de gebruikelijke procedures op Schiphol afgehandeld. Alles gaat zoals het eigenlijk altijd gaat: tijdens het wachten voor de scan is er een levendige uitwisseling van verhalen, vooral door de leerlingen, die het wel heel spannend vinden om als een potentiële drugstoerist gezien te worden die misschien bolletjes heeft geslikt. ‘Ze kijken heel erg naar hoe jij je gedraagt: als je niets eet en erg moet zweten, is het raak’. Henk kijkt zorgelijk naar een douane die zich op zijn buik focust: gelukkig blijken tijdens de scan alleen wat vetbolletjes zichtbaar. De andere Henk heeft minder geluk: hij wordt aan een grondig nader onderzoek onderworpen, tot grote hilariteit van collega Fred. De laatste heeft ons voor de scanpoort in een notendop al verteld hoe het werkt met geld bij elkaar krijgen voor de reis: rotary club inschakelen, sponsoring door bedrijven, iets organiseren met de leerlingen, bekende artiesten uit de tv- en radiowereld uitnodigen en binnen no-time heb je geld. Maar je moet het ijzer wel smeden als het heet is. Zijn ervaring is dat dit niet altijd gezien wordt door mensen die besluiten nemen: vaak lopen de docenten 2 stappen vooruit als iets geregeld moet worden, terwijl de beslissing daarover eigenlijk nog moet vallen en je daardoor soms de boot kunt missen.

Intussen sjok ik achter iedereen aan: het vooruitzicht van een vliegtuigstoel is aantrekkelijk: even mijn verloren slaapuurtjes inhalen. Handbagage wordt boven onze hoofden weggezet en ik ben al snel vertrokken in het geroezemoes van stemmen. Even dringt er iets tot me door: de purser roept: ‘kleppen dicht’ en Fred roept eroverheen: ‘dat zeg ik ook altijd tegen mijn leerlingen’. Ik ga er vanuit dat we in de lucht zitten. Na een aantal uren slaap begint iedereen zijn handbagage te pakken en ik denk nog: dat is best snel gegaan. Ik sjok weer achter iedereen aan en het valt me op dat het in Suriname lang niet zulk mooi weer is als ze altijd beweren: een grijze lucht en miezerig weer. Ook helemaal niet warm. Dan dringt plotseling de realiteit tot me door: we lopen weer terug naar Schiphol om wat te eten: het vliegtuig blijkt defect en we moeten wachten tot het volgende vliegtuig vertrekt.

Het is nacht als we in Paramaribo aankomen. Aan eten hebben we in het vliegtuig geen gebrek gehad, dus kunnen we het gemakkelijk zonder diner in het hotel stellen. De ontvangst op het vliegveld is warm en gemoedelijk: de onthaasting is duidelijk voelbaar. Een bus rijdt ons door mistroostige straten van Paramaribo: veel krotwoningen met af en toe een opleving van een keurig onderhouden huis. Ik word er een beetje down van. Maar dat gevoel is snel verdwenen als de volgende ochtend niet alleen zonnewarmte, maar vooral menselijke warmte ons omgeeft. Wat een gastvrijheid. Een land om je snel in thuis te voelen.